ann schribbelt

ann schribbelt

dinsdag 21 juni 2011

Het verhoor

Vroeg in de ochtend. Hij staat in het midden van de woonkamer met grote ogen luidop te dromen over bergen snoep en sloten frisdrank. Hij kijkt alsof hij de gouden toegangskaart voor een bezoek aan de chocoladefabriek van Willy Wonka heeft gewonnen.
“Oei,” zegt de moeder. “Dan is het misschien de bedoeling dat ik je zakgeld meegeef op schoolreis.”
Het beknopt, informatief briefje van de school, dat ze tussen de triljoen anderen uitvist, maakt daar nochtans geen enkele melding van. Er staat zelfs niet in op welke plek de kinderen dienen afgehaald te worden. De moeder stelt zich even voor dat haar tengere jongen het enige kind zonder zakgeld zal zijn, met ongetwijfeld een levenslang Remy-complex of een ziekelijke fixatie voor geld als gevolg. Dus peutert ze snel een briefje van vijf Euro uit haar tas en propt het in een veilig zijzakje van zijn broek. Zijn dankbaarheid lijkt warmte af te geven.
Diezelfde avond informeert ze tijdens het avondeten nieuwsgierig naar het zakgeld van de andere kinderen.
“Ze hadden allemaal meer geld dan mij!” laat de zoon haar korzelig weten en forceert een opwellende traan in zijn linkeroog. Ze geloven dat niet, de vader en de moeder. Ze vinden dat een briefje van vijf Euro in een kinderhand het gewicht van een fortuin heeft. Ze willen meer informatie. Namen. Bedragen. Ze willen het hele plaatje. Dus rent het kind zenuwachtig rond in het toverachtige doolhof van zijn brein, wat hen de naam van welgeteld één kind oplevert. En de twijfelachtige som van twaalf Euro en vijfentwintig cent. Tevreden kruisen de moeder en de vader hun armen. De verdachte is door de mand gevallen. Maar ze willen meer. Ze willen weten waaraan hun knaap zijn knopen uitgegeven heeft. Uit de manier waarop hij vanonder zijn donzen wenkbrauwen van hen wegkijkt, kunnen ze afleiden dat het een moeilijk verhoor gaat worden.
“Aan vriend één gegeven,” mompelt de jongen en stamelt vervolgens een verhaal bij elkaar dat wat weg heeft van een obscure witwasoperatie met als enige doel de ouders te misleiden over de weg die hun zuurverdiend geld heeft afgelegd. Het gaat de moeder en de vader enigszins de pet te boven. Hun berooide erfgenaam, die in zijn vrije tijd rekensommen maakt, gaf zijn briefje van vijf Euro aan vriend één en kreeg in ruil vijftig cent terug. Die centen werden vervolgens geofferd aan een snoepautomaat met grijpertjes, waarvoor je kleingeld nodig hebt. Wat hij niet had. Er was vervolgens ook sprake van een gevonden twee Euro. Waarmee hij een schildpad kocht. Die hij aan vriend één gaf. Die hem vervolgens de hele dag van snoep voorzag. Ook vrienden twee en drie deelden hun snoep met hem. Vriend twee vond later nog eens vijf Euro (wat de vader – the bad cop – erg bedenkelijk vindt, maar wat de moeder – kortstondige good cop – terug voert naar haar eigen kindertijd en haar gave om dingen kwijt te spelen) en…
"Stop al maar,” laat vader weten en klemt zijn tollende hoofd tussen zijn handen.
Even later zit het kind aan een tafeltje geconcentreerd zijn Walibikaarten te sorteren: voor de zoveelste keer telt hij de ontbrekende kaarten. Er zijn weinig dingen die de schoonheid van een geconcentreerd kind kunnen overtreffen. De moeder wordt overvallen door een ontluisterend inzicht. Tot haar verbijstering herinnert ze zich ineens hoe het kind tijdens het verhoor allerlei informatie over de schoolreis probeerde het gesprek binnen te smokkelen. Iets over een boomstam. Ze hadden er geen oren naar, de vader en de moeder. Ze waren die hele schoolreis een beetje uit het berekende oog vergeten. Ineens voelt ze zich die verdomde zakenman op de vierde planeet. Ze spoedt zich naar het kind. Dat hij een fijne zoon is, zegt ze en gooit haar armen om zijn breekbare ribbenkast. Hij glimlacht, zoals alleen kinderen dat kunnen. Neus aan neus zitten ze, moeder en zoon. Ze doet alsof ze met vingertoppen zijn sproeten telt en fluistert hem dan haar mea culpa in zijn oor: “Jij wou heel de tijd vertellen over die schoolreis en wij bleven maar doorgaan over die vijf Euro. Grote mensen zijn soms toch rare wezens.”
Wanneer ze zich moeizaam opricht en hem de rug toedraait, hoort ze hem nog ernstig verzuchten: “Echt wel.”

4 opmerkingen:

Kaatje zei

Ocharme dat ventje :-) En de schildpad, onze buurjongen kwam met 3 (drie!) van die gedrochten thuis :-) Fier als een gieter, maar die liggen wel intussen ergens in een hoekske te bestoffen...

elke zei

Ojee, wat zijn we toch vreselijk... ;-)

Het doet mij trouwens denken aan elke keer dat ik loop te zeuren over een slechte toets (alléja: een beetje zeuren, maar). De laatste keer zuchtte ik en zei ik: 'wat moet ik daar nu weer op zeggen'. En zij: 'de volgende keer beter?' :-D

Ouders behoren een beetje te zagen natuurlijk. Hoort bij het leven. Zolang je het maar weer goedmaakt achteraf, lijkt alles me ok. Hij zal het later ook wel doen tegen zijn kinderen.

Anneke zei

Weer een mooi klein verhaal zoals jij dat zo goed kan. En het stemt tot nadenken. Betrapte me er op dat ik mijn dochter een uitbrander wilde geven omdat haar kamer zo'n troep is, maar heb haar eerst gecomplimenteerd met een krukje wat ze op school gemaakt had. (En haar toen die uitbrander gegeven:)

Ann zei

Vind het altijd zo fijn om reacties te krijgen!